Eitjes

Iedere zomer ga ik met kleine L. naar Brabant waar alle (bonus)tantes klaar staan met worstenbroodjes, eierkoeken, glaasjes wijn, pannetjes mosselen en verse eitjes bij de lunch. Zo ook deze zomer.

Vooral die verse eitjes zijn heel belangrijk voor kleine L. Tante K. woont achteraf met twee paarden, een hond, een ’boogerd’, een half dozijn kippen, een vijver vissen en vroeger zelfs twee konijnen. Die konijnen zouden er niet toe doen, ware het niet dat kleine L. nogal een goed geheugen heeft. Zo weet zij altijd welk paard ook alweer ziek was, wie vorig jaar poep in zijn staart had, dat die ene kip vorig jaar nog veel kleiner was en dus ook dat zij de konijnen een naam mocht geven. Ze was toen drie jaar oud. En ieder jaar herinnert ze ons er weer aan.

Benjamin en Lilly zijn helaas niet meer, maar alle andere dieren nog wel. Onverschrokken schept ons stadskind mest uit de stal, voert ze vissen, rijdt ze zonder zadel op de wat bokkige pony Boris terwijl ze hem vriendelijk toespreekt en ontspannen wat dazen wegwuift van zijn hals en kruipt ze de kippenkooi in om eitjes te rapen. Als een jong eendje loopt ze achter tante K. aan – op vieze laarzen, met klitten in haar staart en zwarte vegen op haar wang. Zielsgelukkig. ‘Zo, wat gaan we nu doen?’, vraagt ze als tante tien minuten zit voor een kop koffie. En tante verzint altijd weer iets.

De laatste ochtend verzon ze dat de pruimen in de boogerd rijp waren om te plukken, dus kleine L. ging terug naar de stad met in haar ene hand een doos verse, zelf geraapte eitjes en in de andere een zakje zelf geplukte pruimen.

De pruimen smokkelden een hoop fruitvliegen mee, waardoor de helft de dag erna al rot was, dus we kochten er gauw wat pruimen bij en bakten een taartje met prachtig geel beslag door die Brabantse eitjes. We maakten ook nog vers chocolade ijs en een doodgewoon zachtgekookt eitje bij de lunch was in Amsterdam nog nooit zo lekker geweest.

Volgend jaar gaan we weer. Kleine L. weet dan vast nog hoeveel rondjes ze op de wat bokkige Boris reed, dat de paarden van de veearts niet te veel lekkers mochten omdat ze anders te dik zouden worden en dat de nieuwe kip Betsie heette. Of zoiets. En natuurlijk dat ze de konijnen ooit Benjamin en Lilly doopte. Maar dat vergeet zelfs ik niet meer.

Dit taartje, gebaseerd op een recept van Nigel Slater, maakte ik zeven jaar geleden voor het eerst en sindsdien heb ik vele versies verzonnen. Met ander fruit (zoals peer, appel of mirabel); zonder walnoten en met stukjes amandel (voor de vriend met de notenallergie); met glutenvrij bloem (voor de glutenvrije vriendin die even vergeten was dat ze op haar bruiloft zelf misschien ook wel een stukje taart zou willen eten); met kikkererwtenmeel (leek me een leuk experiment en meer dan dat was het ook niet) en met andere bakvormen (1/3 recept past precies in een bakvorm van 12 cm). Gedroogde pruimen gebruikte ik nog nooit, daar maak ik meestal een ander taartje mee, maar dat lijkt me ook wel wat. Dit is een snel taartje – fruitig, notig en smeuïg. En lekker.

Taartje van verse pruimen

150 gr boter

150 gr fijne (riet)suiker

snuf zout

ca. 6 pruimen, gehalveerd

3 eieren, losgeklopt

75 gr bloem

1,5 tl bakpoeder

100 gr gemalen amandelen

50 gr grof gehakte walnoten

evt. een drup bittere amandelolie

Verwarm de oven voor op 180°C. Bekleed een springvorm met bakpapier.

Klop boter en suiker tot het mooi luchtig is en roer beetje bij beetje de eieren erdoor. Vermeng bloem, bakpoeder en zout en meng in delen door het beslag. Spatel de gemalen amandelen (en de amandelolie) en tot slot de walnoten erdoor.

Verdeel het beslag over de bodem van de bakvorm en druk de pruimen erin. Gebruik er zoveel dat de hele oppervlakte bedekt is. Bak ca. 40 minuten (of tot de cake gaar is) en laat afkoelen. Eet lekker!

Eén reactie

Geef een reactie op Mad Reactie annuleren