Terwijl de Onsnorrige en ik aan een bordje misosoep zaten, gaarde er langzaam een appelkoek in de oven. Het was zo feestelijk dat we eindelijk weer mochten zingen, dat er absoluut een taartje gebakken moest worden. Omdat zangers super corona verspreiders zijn, was maandag 9 maart de laatste repetitie van ons koor. Prompt werd binnen een week het halve koor ziek, ging het land op slot en mochten we alleen nog maar onder de douche zingen. We probeerden via zoom nog iets te doen met mooie klanken, maar dat werd een soort walvisgehuil, dus we beperkten ons tot digitaal bijkletsen en het delen van wel & wee en mooie muziek via de app. Wat had ik het gemist, zingen met deze groep geweldig leuke vrouwen! Maar nu was het dan zover: ensemble Luz ging weer zingen. Wild, in de buitenlucht, op afstand en met slechts driekwart van het koor vanwege allerlei ongemak, maar toch! Verheugd fietsten we naar een obscure plek in Oost, waar de Luzzen langzaam aan kwamen druppelen, map in de ene hand, theebeker in de andere. Na een vrolijke begroeting op afstand begonnen we maar gewoon. We hadden twee maanden niet gezongen en we stonden meters uit elkaar, maar al snel leek het toch weer ergens op. Eerst zat er een stoere skater stiekem in een hoekje te luisteren, even later kwam er een dame bij (ze bleek ons vanuit haar huis gehoord te hebben en was op het geluid af gekomen) en zo kwamen en gingen er nog meer mensen. In de pauze werden vrolijk alle nieuwtjes gedeeld en ik deelde mijn appelkoek – geurend naar boter en kaneel en nog een beetje warm. Of het meisje dat al een hele tijd stilletjes aan het luisteren was ook een stukje wilde. Dat wilde ze wel. En of zij dan misschien bij ons mocht komen zingen. Waar appelkoek met wild gezongen noten al niet goed voor is.
Ik groeide op in Brabant en Limburg en daar haalden we appels bij de boer. Een appel per dag, zo vers van de boer – die appels bleven niet lang liggen. Hier in Amsterdam halen we onze appels overal vandaan, maar zo vers als bij de boer vind ik ze niet. Toen ik nog alleen woonde, had ik heel vaak zielige appels, van die appels die net te lang op de schaal waren blijven liggen – een beetje verschrompeld en net niet meer lekker om zo te eten. Dus dan gingen ze in een appelcake, appelcrumble, appeltaart, appelmoes, met wat boter in de oven of in de jam (voor de pectine). ‘Had je weer zielige appels?’, vroegen mijn collega’s als ik weer eens met een taartje aan kwam zetten. Keda Black heeft een heel kookboek vol geschreven over appels, dus zielige appels hebben bij ons nog meer kans op een lekkere bestemming. Niet-zielige appels overigens ook. Dit recept voor appelkoek met havermout is gebaseerd op één van haar recepten. Ik maak hem in een vierkante vorm (20*20), maar rond moet ook lukken. Met glutenvrije bloem (eventueel met een deel gemalen amandel) is hij ook lekker en varieer gerust met gedroogd fruit, noten en specerijen (koekkruiden!). Van Keda mag je alleen golden delicious, jonagold of reinettes gebruiken, maar van mij mag iedere zielige appel meedoen. Iedere niet-zielige appel ook.

Appelkoek met havermout
200 gr boter
125 gr havervlokken
200 gr bloem
100 gr suiker
Goede snuf zout
1 tl bakpoeder
1 tl kaneel
Goede snuf nootmuskaat
3 appels
100 gr rozijnen
Handje amandelschilfers
Verwarm de oven voor op 180 ºC en bekleed een bakvorm met bakpapier. Smelt de boter. Meng in een grote kom havervlokken, bloem, suiker, zout, bakpoeder en specerijen. Schep de gesmolten boter erdoorheen tot het een geheel is en druk ongeveer ¾ ervan in de vorm. Bestrooi met de rozijnen. Haal de klokhuizen uit de appels en rasp ze grof (ik laat de schil er gewoon aan zitten). Pak steeds een handje geraspte appel, knijp dit een beetje uit boven een schaaltje en verspreid de appels over de rozijnen. Verdeel de rest van het deeg over de appels (als een crumble) en bestrooi met de amandelen. Zet de bakvorm in de oven, drink het verse appelsap uit het schaaltje lekker op (wacht niet te lang, anders wordt het bruin!) en bak ongeveer een uur. Eet lekker!



